RetroRace gebruikt geen tracing- en blijvende cookies

RetroRace doesn't deploy tracing and persistent cookies
retrorace_logo
Since 2009
Menu

Keyword Search



Nederland's meest onbegrepen sport


Bestaat zo'n sport dan? zult u denken. Jazeker bestaat deze; het betreft de snelheidssport.
Voorzover bekend is er nooit wetenschappelijk onderzoek naar gedaan, maar de rest van dit verhaal zal u duidelijk maken dat de titel
van dit artikel geen loze kreet is.

N.B.: omdat het ondoenlijk is het gehele gamma van de snelheidssporten te behandelen, beperken wij ons hier gemakshalve grotendeels tot de autosport. De conclusies in dit artikel kunnen echter ook met zekerheid worden getrokken ten aanzien van andere snelheidssporten, zoals bijv. motorracen en karting.

Verdomhoekje

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: de autosport zit in Nederland in het verdomhoekje. Dit geldt zowel voor de faciliteiten (bijv. racebanen en mogelijkheden voor autosporters om zich te ontplooien) als voor de media aandacht. Maar, zult u zeggen: de Formule 1 is toch geregeld in het nieuws? Het is noodzakelijk dit wijd verbreide misverstand te nuanceren. Vóór de opvallende verrichtingen van Jos Verstappen in de jaren '90 was de aandacht voor autosport in Nederland nauwelijks aanwezig. Als er al eens iets over in het nieuws kwam was dat meestal negatief (ongelukken). Zoals te verwachten was keerde de sportpers zich ook bij Jos Verstappen al snel weer af toen hij er niet in slaagde blijvend door te stoten naar de hoogste regionen in het startveld.

Het lijkt er nu (2016) op dat de jongste deelnemer in de Formule 1 ooit, Max Verstappen (de zoon van Jos) de nationale interesse voor autosport weer heeft aangewakkerd. Mocht het echter zo zijn dat deze veelbelovende en zeer getalenteerde coureur niet snel doorstoot naar de top van de Formule 1, dan zal hem wat publiciteit in de door balsporten gedomineerde Nederlandse sportverslaggeving betreft eenzelfde lot beschoren zijn als eerder zijn vader. Een nadelig gevolg van de huidige focus op de jonge Max is bovendien dat de vaderlandse sportpers de aandacht voor Nederlandse deelnemers aan andere snelheidssport disciplines nog meer zal gaan verontachtzamen dan nu al het geval is, want in de ogen van de sportpers is autosport blijkbaar uitsluitend Formule 1.

Nederland's meest veelzijdige autocoureur uit het verleden, Gijs van Lennep, heeft eens gezegd 1) dat de oorzaak van de desinteresse van de Nederlanders in de autosport te wijten is aan het niet in ons land aanwezig zijn van grote automobielfabrieken en aanverwante bedrijven. Hoewel dit ongetwijfeld een rol speelt, is het niet de enige reden. Er zijn drie andere redenen aan te wijzen voor de onbegrepenheid bij het grote publiek: de eerste is het gebrek aan historisch inzicht in de ontwikkeling van de automobiel, de tweede is het beleid van de overheid inzake snelheidssporten en de laatste is (zoals eerder al aangestipt) de eenzijdige sportverslaggeving welke voornamelijk gefocust is op balsporten.

Nederland en de beginjaren van het automobilisme

Ten tijde van de beginjaren van het automobilisme waren er in Nederland wel degelijk initiatieven ten aanzien van de vervaardiging van automobielen, denk bijvoorbeeld aan het merk Spyker, ter ziele gegaan in 1925, herrezen als exclusief sportscarmerk in 2000, maar vanaf 2014 (na het Saab debâcle) helaas wederom wegkwijnend. Trieste zaak voor een merk dat van 2002 tot 2010 in de 24 uurs race van Le Mans de Nederlandse oranje racekleur wist te vertegenwoordigen op een wereldpodium.

In het begin van de 20e eeuw was Spyker een innovatieve onderneming, getuige de 60 pk racewagen die men bouwde in 1903 (zie onderstaande foto). Deze racer was uitgerust met s'werelds eerste zescylinder benzinemotor en ook nog eens met vierwielaandrijving; voorwaar zeer vooruitstrevend. Jammergenoeg heeft zich dit niet voortgezet, want Spyker werd namelijk net als zoveel andere autofabrikanten uit die tijd slachtoffer van de eerste wereldoorlog (de afzetmarkt verdween). Waarom nadat de oorlog voorbij was geen enkele fabrikant van personenauto's in Nederland de draad weer heeft kunnen oppakken zal altijd wel duister blijven. Men mag evenwel aannemen dat steun aan autofabrikanten destijds geen prioriteit van de overheid is geweest, dit in tegenstelling tot de situatie in andere europese landen.


1903 spyker

Frappant

Niet alleen het gebrek aan autoindustrie typeert ons gebrek aan historisch inzicht. Als men men met buitenlanders over dit onderwerp spreekt is het frappant te ondekken dat zij zich over het algemeen veel meer bewust zijn van de rol die de autosport gespeeld heeft bij de ontwikkeling van de automobiel. Dit verklaart wellicht ook de meer volwassen opstelling ten aanzien van snelheidssporten bij buitenlandse sportmedia.

Waar is het dan fout gegaan? Het is te gemakkelijk om onze volksaard de schuld te geven, hoewel het volgende toch te denken geeft: na de allereerste uiting van autosport in Nederland, de wedstrijd Parijs-Amsterdam-Parijs in 1898 (gewonnen door Fernand Charron met een Panhard & Levassor), werd de regering geïnterpelleerd met de vraag of de veiligheid wel gediend was met de voorbij scheurende benzinemonsters en bovenal of de deelnemers aan de wedstrijd wel de tolgelden hadden bestaald! Gelukkig was de Franse organisatie van de rit zo attent geweest de tolgelden vooraf over te maken 2).


1898 bollee

een Bollée racer tijdens de wedstrijd Parijs-Amsterdam-Parijs in 1898


Geen ontwikkeling in Nederland, in andere landen des te meer . . .

Uit het voorgaande kan men afleiden dat de autosport ook toen al niet met open armen in Nederland werd ontvangen. Terwijl na de eerste wereldoorlog in de rest van Europa (gevolgd door Amerika) overal autosport faciliteiten uit de grond werden gestampt bleef het op dat vlak in Nederland oorverdovend stil. Intussen bouwde Italië z'n nationale Monza circuit, Frankrijk Monthléry bij Parijs (zie onderstaande foto) en het semi-permanente 24 uurs circuit bij Le Mans, Duitsland de Avus strecke bij Berlijn, Engeland de Brooklands baan. Amerika moderniseerde intussen de in 1911 geopende 500 miles "brickyard" bij Indianapolis.

Geschiedkundig aanwijsbaar heeft parallel aan deze activiteiten de automobielindustrie in de genoemde landen een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt, hetgeen niet in de laatste plaats te danken was aan de onderlinge wedijver van de fabrikanten om de ander te snel af te zijn op de racebaan (de op de bovenstaande foto getoonde Bollée racer, welke in 1898 deelnam aan de wedstrijd Parijs-Amsterdam-Parijs, werd geproduceerd in de Franse stad Le Mans, ook tegenwoordig nog het mondiale epicentrum van de autosport). Door als toen toch ook niet onbemiddelde natie het merk Spyker te laten doodbloeden en geen verdere initiatieven te ontplooien heeft Nederland zich destijds bewust een bloeiende autoindustrie laten ontgaan. Toen vrachtwagenbouwer DAF in de jaren zestig van de vorige eeuw personenwagens ging bouwen was het al te laat om nog concurerend te zijn in de markt.


montlhery circuit 1934

        Autosport in 1934 op de kombaan van Monthléry bij Parijs


Ontstaan van het circuit van Zandvoort

Uit onvrede met de geschetste ontwikkelingen hebben na de Tweede Wereldoorlog een aantal autosport enthousiastelingen, met steun van bekende Nederlanders, waaronder Prins Bernhard en de toenmalige Burgemeester van Zandvoort 3) , het voor elkaar weten te krijgen een voormalig Duits militair terrein in Zandvoort om te toveren tot het eerste nationale autosportcircuit. Het spreekt voor de doortastendheid van de Nederlandse Autorensport Vereniging (NAV, later KNAF, Koninklijke Nederlandse Autosport Federatie) dat het hen uiteindelijk lukte de top van de autosport (de toen net ontstane Formule 1) naar Nederland te halen en een vaste plaats op de jaarlijkse wedstrijdkalender te krijgen. Helaas is deze fantastische verworvenheid in de tachtiger jaren van de 20e eeuw o.a. door de zo typerende hollandse (milieu)kneuterigheid naar het lijkt voor eeuwig verloren gegaan. Wie de moeite neemt de reeks artikelen over de Kartsport in Noord Nederland in de 70'er jaren (hier op de RetroRace site) te lezen, zal merken dat dit niet alleen het circuit in Zandvoort overkomen is.

Dominerende krachten in de media

Met name bij de publieke omroep lijkt de sportverslaggeving erg onder invloed te staan van sportconglomeraten zoals de KNVB, NOC-NSF en de KNSB. Het kan niemand ontgaan dat de door hen bestuurde sporten onevenredig veel aandacht krijgen op zowel radio als televisie. Frequent worden tijdens radiouitzendingen successen in de voetbalsport, atletiek en het schaatsen vermeld, maar ook futiele feiten (zoals trainerswissels en blessures) worden uitgebreid belicht. Dit heeft inmiddels al geleid tot de vaststelling dat radio en televisie worden geteisterd door een voortwoekerende "sportschimmel" 4) . Hierdoor is er nog maar weinig tijd over om aandacht te besteden aan andere sporten (en aan snelheidssporten al helemaal niet). Het lijkt wel of Nederlandse sportjournalisten tijdens hun opleiding totaal geen inzicht wordt geboden in de tegenwoordigheid en historie van de snelheidssporten (immers, als ze zich al eens op dat terrein wagen geven ze er nogal eens blijk van niet goed op de hoogte te zijn). Gelukkig heeft de komst van (betaalde) commerciële televisie het voor de liefhebbers van snelheidssporten een stuk dragelijker gemaakt, maar de snelheidssport liefhebber die onvoldoende financiële draagkracht heeft om de betaalde kanalen te kunnen bekijken blijft er van verstoken. In dit opzicht kan geconcludeerd worden dat het democratisch gehalte van de sportverslaggeving tegenwoordig ver te zoeken is.

Negatieve invloed

Voorgaande vaststelling heeft duidelijk een negatieve invloed op het sportlandschap in Nederland.
Doordat met name jongeren die welwillend staan ten opzichte van snelheidssporten vrijwel nooit te maken krijgen met aansprekende beelden en commentaren, zullen zij zich niet gauw op de hoogte stellen van mogelijkheden om aan een snelheidssport te gaan deelnemen (de kartsport bijvoorbeeld wordt in de sportverslaggeving vrijwel nooit genoemd). Daarentegen krijgt het voetbalhooliganisme dermate veel media aandacht, dat het voor bepaalde groepen interessant blijft om rotzooi te schoppen.

Ook het volgende fenomeen hindert de deelnemers aan snelheidssporten: als u het nieuwsuitzendingen van de publieke omroep de afgelopen jaren gevolgd hebt, zal het u niet ontgaan zijn dat nadat op televisie een groot sportevenement (zoals de Olympische Spelen) is uitgezonden en een Nederlandse athleet daarbij een goed resultaat heeft neergezet, deze onder invloed van de eerder genoemde sportconglomeraten in de media tot publiekslieveling wordt gebombardeerd. Niet lang daarna verschijnt deze publiekslieveling steevast in een reclamespot in de media. Velen zullen er niet verder over nadenken, maar het betekent wel dat deelnemers aan sporten die veelvuldig via de eenzijdige sportverslaggeving in beeld zijn, zich gemakkelijk extra inkomsten kunnen verwerven (iets dat bijvoorbeeld een Nederlandse deelnemer aan een internationaal sportscar kampioenschap wel kan vergeten). Het mag duidelijk zijn: ook economisch gezien is er daardoor in de Nederlandse sportwereld een ongewenste tweedeling.

Dat e.e.a. samen met het gebrek aan historisch besef ten aanzien van de autosport de nodige consequenties heeft, moge blijken uit het feit dat u bij de meeste Nederlandse openbare bibliotheken bij de afdeling 'sport' geen boeken over snelheidssporten zult aantreffen. Kijkt men da'arentegen bij de afdeling 'vervoer' dan is de kans dat men daar boeken over het onderwerp Autosport aantreft groot en tegelijkertijd veelzeggend.

Voorbeelden van het gebrek aan media aandacht

Ondanks de verontachtzaming van de media die de autosport in Nederland ten deel valt zijn er toch altijd Nederlanders geweest die zich onderscheiden hebben in de qua moeilijkheidsgraad meest aansprekende takken van autosport. Onderstaand een opsomming van belangrijke successen die de gemiddelde inwoner van ons land door vooringenomen sportverslaggevers grotendeels, of geheel zijn onthouden:

  • Carel Godin de Beaufort behaalde in 1962 als eerste Nederlander punten in het wereldkampioenschap Formule 1. Er zijn weinig landgenoten die dit weten.

  • de eerder in dit atikel genoemde Nederlandse coureur Gijs van Lennep won zowel in 1971 (met de Duitser Helmut Marko) als in 1976 (met de Belg Jackie Ickx) de moordende 24 uurs race van Le Mans voor Porsche. In de Nederlandse media is er minimaal over gerept, maar in de buitenlandse des te meer.

  • de bekende Nederlandse coureur Jan Lammers won in 1988 samen met de britse coureurs Andy Wallace en Johnny Dumfries de 24 uurs race van Le mans voor Jaguar.

    Dit feit werd destijds in het TV progamma "Studio Sport" vlak voor het einde met één (afgeraffelde) zin gemeld.

    De volgende dag werden Jan en zijn collega's (toegejuicht door horden britse ausportfans) ontvangen en geëerd op Buckingham Palace. Nederlandse radio en TV aandacht hiervoor: nul.

  • de Nederlander Arie Luyendyk won in Amerika twee keer (in 1990 en in 1997) de vermaarde Indianapolis 500 miles race. De Amerikanen dragen hem nog steeds op handen, maar in Nederland kennen vrijwel alleen de echte autosportliefhebbers hem.

  • de Nederlander Peter Kox komt al sinds de 1980'er jaren uit in diverse internationale autosport wedstrijden en is op het moment van schrijven (2016) nog steeds actief. Als één van de meest ervaren sportscar coureurs van Europa won hij in 2003 samen met de Tsjech Thomas Enge en de Engelsman Jamie Davies de GTS-klasse in de 24 uurs race van Le Mans met een door het Britse Procar team ingeschreven Ferrari 550 Maranello. Tevens had hij een aantal successen in de FIA-GT en Blancpain series. Hogelijk gewaardeerd in het buitenland, maar Nederlanders kennen hem nauwelijks (mag u raden waarom zijn internet site in het Engels is).

  • de Nederlander Lex Joon werd in 2005 Europees kampioen in de Top-fuel klasse bij het dragracen. De Top-fuel klasse valt in Europa onder de regelgeving van de Internationale Autosport Federatie (FIA). Lex is zo goed als onbekend bij de doorsnee Nederlander, echter in Engeland en in Amerika, waar hij tegenwoordig zijn krachten meet met de US vedettes, is hij een bekende verschijning.

    Opmerking van de auteur: stel je eens voor - je hebt voor het beoefenen van je favoriete sport geen mogelijkheden in Nederland (afgezien van het vrijwel permanent gesloten vliegveldje van Philips bij Drachten). Naast de financiële offers die het dragracen met zich meebrengt moet je dus altijd naar het buitenland om te kunnen trainen en racen. Dan is het contrast met bijvoorbeeld de bobsleesport (waarvoor ook geen serieuze faciliteiten in in Nederland bestaan, maar die wél volop in de belangstelling van de media staat) wel heel groot. Het moet ongetwijfeld zuur zijn om als Europees kampioen dragracen in je eigen land zo weinig erkenning voor je prestaties te krijgen.

  • Jos Verstappen won samen met onze landgenoten Peter van Merksteyn en Jeroen Bleekemolen in 2008 met een Porsche de LMP2 klasse voor prototypen in de 24 uurs race van Le Mans. Bij de publieke media werd dit in de internationale autosportwereld belangrijke feit tegen het einde van de dag slechts met een armetierig artikeltje belicht op de internetsite van NOS-Sport. Bij de commerciële omroep, die wel videobeelden liet zien, kon wegens tijdgebrek de huldiging niet meer worden getoond. RetroRace stelt u in staat de huldiging alsnog te bekijken door hier te klikken.
    Wellicht minder bekend als zijn overwinning in Le Mans, is het feit dat Jeroen Bleekemolen in 2013 met een Porsche 911 GT3 Cup van het WeatherTech team kampioen werd in de fel bevochten GTC-klasse van de (toenmalige) American Le Mans Series.

  • Renger van der Zande, zoon van de Nederlandse Rallycross kampioen van 1978, racete in 2014 in het Amerikaanse United Sportscar Championship voor het Starworks team en deed iedereen daar de mond openvallen door in zijn debuutjaar meteen derde te worden in de Prototype Challenge klasse. Ook in 2016 verdedigt hij weer de Nederlandse eer aan de overkant van de grote plas. Hoort of ziet u daarover ooit iets in de vaderlandse media?

Zo zijn er nog veel meer gevallen te bedenken, waarin Nederlandse snelheidssporters media 'exposure' werd onthouden. Bovenstaande vermeldingen zijn echter geen pleidooi om de media aandacht voor autosport naar hetzelfde niveau als de geijkte sporten te tillen. Een meer adequate vermelding van belangrijke successen is uiteraard wenselijk, maar als men zich bedenkt dat alleen al de NPO-sport redactie 150 personeelsleden heeft die zich dagelijks vrijwel uitsluitend met de geijkte (bal)sporten bezig houden, is het niet aannemelijk dat er op korte termijn veel verandert. Wie echter verder kijkt dan zijn neus lang is en de moeite neemt om op het internet naar het reilen en zeilen van Nederlandse snelheidssportbeoefenaren te zoeken kan veel interessante informatie tegenkomen. Tip: de Nederlandse website RaceXpress en de  Weblinks sectie van RetroRace kunnen u hierbij helpen.

Het selectieve sportbeleid van de overheid

In ons land is het gebrek aan faciliteiten voor beoefenaren van snelheidssporten in flagrante tegenstelling tot de faciliteiten die aan beoefenaren van (met name) balsporten worden geboden; terwijl onder het argument 'beweging is goed voor u' 5) met miljarden aan gemeenschapsgeld een surplus aan sportvelden is gerealiseerd, moeten beoefenaren van snelheidssporten over het algemeen zelf betalen voor de huur van een door een commerciant gerund circuit (die op zijn beurt de overheid weer in de nek voelt hijgen m.b.t. milieu regels). Vermeldenswaard is overigens dat in sommige delen van het land door lokale overheden (die waarschijnlijk wroeging kregen van hun selectieve beleid) op afgelegen plaatsen z.g. 'regionale lawaaisporten centra' zijn ingericht. Er zijn er echter veel te weinig van en ze zijn in de meeste gevallen ingericht voor slechts één snelheidsport (bijv. grasbaanracen). Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat jongeren die snelheid willen beleven niets anders overblijft dan hun onderlinge krachtsverhoudingen te meten op de openbare weg (met alle gevolgen van dien).

Een voorbeeld hoe het beter kan is te vinden in het Verenigd Koninkrijk (Engeland); hier geen tekort aan circuits en een bloeiend clubleven. Iedereen die wil kan daar met bescheiden middelen meedoen aan het clubracen. Ook in landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje worden jonge en oudere autosportliefhebbers tegemoetgetreden met een ruim aanbod van mogelijkheden (van kartracing tot rallyrijden en alles daar tussenin). Vergeet vooral niet dat de aanwezigheid van dergelijke voorzieningen, behalve (amateur) coureurs ook ingenieurs en technici in opleiding aantrekt. Zij kunnen op die manier in een competatieve omgeving belangrijke technische kennis en ideeën opdoen. Iedereen weet dat er in onze maatschappij juist grote behoefte is aan deze mensen, dus snijdt het mes hier aan twee kanten.

Economische consequenties

Wie denkt dat we als natie geen prijs betalen voor het achterstellen van de snelheidssporten heeft het mis. Iemand die goed had begrepen wat de waarde is van autosport voor ontwikkeling en wereldwijd zaken doen is Victor Muller, de tegenwoordig nogal verguisde CEO van Spyker Cars. Zoals eerder vermeld nam Spyker van 2002 tot 2010 deel aan de 24 uurs race van Le Mans (zie onderstaande foto) en andere sportscar wedstrijden. In het licht van dit artikel is het wellicht goed voor te stellen dat Victor schoon genoeg had van de Nederlandse kneuterigheid ten aanzien van autoproductie, toen hij eind 2009 aankondigde het bedrijf te zullen verkassen naar Engeland. Dat dit niet door ging en het uiteindelijk met Spyker bergaf is gegaan vanwege het mislukte avontuur met de overname van Saab, doet niets af aan de grondslag van de aankondiging om het bedrijf te verplaatsen.

Voor wie niet goed op de hoogte mocht zijn: de Britten mogen na de val van British Leyland en andere bekende merken dan geen auto industrie van formaat meer hebben; wat zij inplaats daarvan hebben weten op te bouwen is een industrie van hoogwaardige automotive componenten en services.
Zo zijn de Engelsen (o.a. met Williams Engineering, bekend van de Formule 1) tegenwoordig koploper bij de ontwikkeling van energie terugwinning technieken. Zelfs Duitse bedrijven als Porsche en Audi, toch ook niet gespeend van technische kennis, mogen zij tellen tot hun klanten. Het is daarom niet verwonderlijk dat de meeste Formule 1 teams hun basis in het Verenigd Koninkrijk hebben.


2006 spyker c8 gt2r

Een Spyker C8 GT2R sportscar in Le Mans 2006


Vooral nu de komende decennia op het gebied van vervoer een omslag zal plaatsvinden van aandrijving door fossiele brandstoffen naar alternatieve, zijn de Britten met hun uitgebreide mogelijkheden om de hiervoor benodigde technologiëen te ontwikkelen (en deze te testen met behulp van de autosport), goed voorbereid op de toekomst.

Als wij in Nederland niet wakker worden en door blijven gaan met alleen maar praten over innovatie, mogen wij straks de prijs voor de ontwikkelingen die elders op de wereld wel worden gedaan ophoesten, terwijl we er zelf niets aan kunnen verdienen. De kostprijs van de innovaties zal immers verdisconteerd zijn in de aanschafprijs van de nieuw ontwikkelde voertuigen (die wij zullen moeten importeren). De vraag zal zijn of veel Nederlanders de aanschafprijs van deze voertuigen dan nog wel kunnen betalen.

Kansen

Kunnen we het tij nog keren? Misschien, echter alleen als we alsnog inzien welke waarde de snelheidssporten hebben voor de ontwikkeling van nieuwe voertuigtechnieken. Tevens zullen deze sporten uit het verdomhoekje moeten worden gehaald en zal er minder geld en aandacht moeten worden besteed aan sporten die op termijn niet veel meer opleveren dan leuke boekwerken en DVD's.

Wanneer het besef werkelijk doordringt dat er aan de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen een eind komt (hetgeen al wordt verwacht in de eerste helft van de 21e eeuw), zal er een versnelde ontwikkeling beginnen van door andere brandstoffen aangedreven c.q. van een andere aandrijftechniek voorziene voertuigen.
Net als in de begintijd van de door een benzinemotor aangedreven automobiel zullen deze nieuwe technieken eerst onbetrouwbaar zijn. Verbetering gaat het snelst in een competitieve omgeving zoals autosport. De Engelsen bezigen niet voor niets de uitspraak "Racing improves the Breed", ofwel "racen verbetert het ras (het voertuig)". Zij zijn het die inmiddels de daad bij het woord hebben gevoegd, getuige het instellen van de EVcup, een raceserie voor electrisch aangedreven voertuigen in Engeland. De belangrijkste ontwikkeling op dit vlak is echter de door de internationale autosport autoriteit FIA ingestelde Formula-E. Sinds 2015 worden in dit verband wereldwijd wedstrijden voor electrisch aangedreven raceauto's georganiseerd, voornamelijk op tijdelijke circuits, die worden uitgelegd in stedelijke gebieden.

Ook in de professionele sportscar racerij hebben de laatste jaren innovatieve ontwikkelingen plaatsgevonden. Deze tak van autosport was de Formule 1 in 2012 al twee jaar vooruit door in het World Endurance Championship (o.a. de 24 uurs race van Le Mans is hier onderdeel van) prototypen met hybride aandrijving toe te laten. Mogelijk zullen later ook auto's welke aangedreven worden d.m.v. waterstof hun opwachting gaan maken in de autosport, al zal eerst de (on)veiligheid met betrekking tot de opslag van dit medium moeten worden opgelost. Verder zijn er nog veel innovaties te verwachten ten aanzien van de toepassing van slimme electronica bij automobielen, al is het moeilijk voor te stellen dat bijvoorbeeld races met zelfrijdende auto's zich in een grote publieke belangstelling zullen mogen gaan verheugen.

Het mag duidelijk zijn dat Nederland op dit gebied inmiddels een grote achterstand heeft. Alleen door niet dezelfde fouten uit het verleden te maken kunnen we deze achterstand verkleinen; dus: innovatieve bedrijven en studies die zich bezighouden met voertuigtechniek actief ondersteunen. Tevens zouden de snelheidssporten moeten worden ontdaan van het tegenwoordig meer en meer onterechte imago van 'onveilig' en 'vervuilend'. Wellicht dan kunnen we onze toekomst wat betaalbaar individueel vervoer betreft dan nog veiligstellen.


Bronvermeldingen c.q. opmerkingen:

1), 2) en 3) 100 jaar Autosport, 50 jaar Circuit Zandvoort (ISBN 90 804047 3 X)

4) uitspraak van de Nederlandse historicus, hoogleraar en schrijver Maarten van Rossem

5) in de kern is deze bewering juist, echter, wie ooit eens heeft gezien wat er in ziekenhuizen bij de ongevallenpoli's in een willekeurig weekend wordt binnengedragen gaat hier ongetwijfeld een stuk genuanceerder over denken; sportblessures bij breedtesporten kosten de maatschappij meer dan menigeen beseft.

Terug naar het Artikelen menu